HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2547

Appeldagvaarding. Ingevolge art. 68.1 Wet GBA is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten NL zal verblijven, verplicht bij het college van b&w van de gemeente van inschrijving binnen 5 dagen voor zijn vertrek uit NL schriftelijk aangifte van vertrek te doen. Ingevolge het 2e lid van dat artikel doet hij in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het 1e adres van verblijf in dat land. Gelet op het GBA-overzicht moet worden aangenomen dat verdachte aan laatstbedoelde verplichting heeft voldaan en dat hij als 1e adres van verblijf in het land waarnaar hij is vertrokken heeft opgegeven X (België). Dat brengt mee dat hij na zijn vertrek niet langer kan worden aangemerkt als ingezetene i.d.z.v. de Wet GBA en dus ook niet als ingezetene i.d.z.v. art. 588.1.b Sv, zulks ondanks de vermelding van zijn adres in de GBA. Wel kan een dergelijk, bij vertrek opgegeven adres worden aangemerkt als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland i.d.z.v. art. 588.2 Sv. Dat lijdt evenwel uitzondering indien - zoals hier - verdachte nadien in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ander adres in het buitenland heeft opgegeven. In dat geval moet dat opgegeven adres als adres in het buitenland worden aangemerkt, waarop gerechtelijke stukken moeten worden betekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen