HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9637
Herziening. Geuridentificatieproef. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter o.g.v. het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2° Sv. I.c. moet het ervoor worden gehouden dat geen ander materiaal dan het resultaat van de bedoelde geuridentificatieproef beschikbaar is waaruit met voldoende mate van aannemelijkheid kan worden afgeleid dat aanvrager één van de personen is geweest die de onder 4 tenlastegelegde inbraak heeft gepleegd. Hier doet zich dus het hiervoor bedoelde geval voor, zodat sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.
De uitspraak op rechtspraak.nl