HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9546

Uitlevering. Aangevoerd is o.m. dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de o.p. als burger van de EU o.g.v. art. 12 EG-Verdrag en art. 24 van Richtlijn 2004/38/EG moet worden gelijkgesteld met een Nederlander, die o.g.v. art. 4.1 UW niet kan worden uitgeleverd ter tul van een opgelegde straf. HR: De HR laat in het midden of de o.p. binnen de personele werkingssfeer van het EG-verdrag valt, of de regeling van art. 4 UW binnen de materiële werkingssfeer van het EG-verdrag valt, en of sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit, aangezien i.c. een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling. In geval van niet-uitlevering aan Kroatië kan de o.p. immers niet alsnog in NL worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Kroatië is veroordeeld, terwijl een Nederlander in zo een geval o.g.v. art. 5 Sr wel alsnog hier te lande vervolgd kan worden. Daaraan doet niet af dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, "het verschil tussen eigen onderdanen en andere EU-burgers (...) op eenvoudige wijze kan worden geëlimineerd door rechtsmacht te vestigen voor alle gevallen waarin uitlevering moet worden geweigerd, op de wijze waarop dat ook is gebeurd in artikel 4a Sr", aangezien het treffen van een zodanige voorziening een taak van de wetgever is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen