HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1832
Herziening. [Aanvrager is veroordeeld wegens het feitelijk leidinggeven aan het niet nakomen van verplichtingen neergelegd in sociale verzekeringswetten en het Loonadministratiebesluit.] Hetgeen is aangevoerd kan niet het ernstig vermoeden wekken a.b.i. in art. 457.1.2°. Vzv. het betreft de omstandigheden dat het UWV de eerder opgelegde correctienota’s heeft verminderd en de Belastingdienst de naheffingsaanslagen en opgelegde boete heeft verminderd berust dit op het volgende. De kennelijk aan het aangevoerde ten grondslag liggende opvatting dat als het door het bewezenverklaarde veroorzaakte nadeel achteraf geringer blijkt te zijn dan t.t.v. het onderzoek ttz. bij de Rb. bekend was, dit aan de veroordeling van de aanvrager tot straf in de weg zou hebben gestaan, is onjuist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder “eene minder zware strafbepaling” i.d.z.v. art. 457.1.2° Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie. Vzv. het betreft de stellingen dat het ‘ne bis in idem’-beginsel is geschonden en dat bij de thans door de Belastingdienst opgelegde boete de kwalificatie ‘overtreding’ hoort, geldt dat de Belastingdienst naheffingsaanslagen en boeten heeft opgelegd die verband houden met feiten ter zake waarvan aanvrager niet is vervolgd en veroordeeld. De eerstbedoelde feiten kunnen telkens niet worden aangemerkt als ‘hetzelfde feit’ i.d.z.v. art. 68 Sr ten aanzien waarvan bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd is beslist, zodat van strijd met het ‘ne bis in idem’-beginsel reeds daarom geen sprake kan zijn. Tot vrijspraak van of ontslag van rechtsvervolging t.z.v. laatstbedoelde feiten kan het aangevoerde, dat dus niet betrekking heeft op de feiten waarvoor de aanvrager is veroordeeld, evenmin leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl