HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0838
Art. 51 Sv. De advocaat van verdachte heeft op 6-12-05 per fax aan de strafgriffie van het Hof medegedeeld dat hij verdachte als raadsman zal bijstaan. Op dezelfde datum is de ontvangst van dat bericht door de griffier bevestigd. Niet kan blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman is gezonden. Noch verdachte, noch zijn raadsman zijn ttz verschenen. Uit e.e.a. vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de appeldagvaarding het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd. Het niet naleven van dat voorschrift moet worden geacht in de weg te staan aan een geldige behandeling van de zaak ttz buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman. Dit is slechts anders indien de rechter in redelijkheid mag aannemen dat verdachte geen prijs erop heeft gesteld, hetzij ttz. te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan, hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. Een goede procesorde brengt voorts mee dat wanneer reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van dat voorschrift, de rechter, alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ttz. voort te zetten, zich ervan vergewist, dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd, hetzij 1 der voormelde uitzonderingsgevallen zich voordoet. Noch uit het bestreden arrest noch uit het pv ttz. blijkt echter dat het een of het ander is geschied.
De uitspraak op rechtspraak.nl