HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0824
Rechtsgevolg niet-naleving betekeningsvoorschriften. De in het arrest HR LJN AD5163 geformuleerde regel houdt in dat ingeval het onderzoek t.t.z. is geschorst en de oproeping voor de nadere tz. aan verdachte in persoon is betekend dan wel op die nadere tz. door de aldaar aanwezige verdachte of - bij zijn afwezigheid - door zijn raadsman geen beroep is gedaan op de nietigheid van de betekening van de dagvaarding of oproeping(en) voor de eerdere terechtzitting(en), nietigverklaring van de dagvaarding of oproeping achterwege blijft en moet worden aangenomen dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aan die regel ligt ten grondslag dat het niet aanstonds, d.w.z. op de eerstvolgende tz. voeren van een dergelijk nietigheidheidsverweer onverenigbaar is met de eisen die aan een behoorlijke en doelmatige rechtspleging moeten worden gesteld. Die eisen staan eraan in de weg dat de verdediging i.c. op 11-11-05 nog met vrucht een beroep zou kunnen doen op de nietigheid van de oproeping voor de tz. in 1e aanleg van 2-12-02, gelet op het volgende. De gemachtigd raadsman heeft t.t.z. van 7-12-04 een beroep gedaan op de nietigheid van de betekening van de dagvaarding in 1e aanleg. Nadat dit beroep door het Hof was verworpen, is de inhoudelijke behandeling van de zaak begonnen en op de nadere terechtzittingen voortgezet, vanaf 12-04-05 in tegenwoordigheid van verdachte. Eerst t.t.z. in appel van 11-11-05 heeft de verdediging een beroep gedaan op de nietigheid van de oproeping voor de tz. in 1e aanleg van 2-12-02. Dit beroep steunde op dezelfde grond als het op de eerdere tz. gedane beroep op nietigheid van de dagvaarding in 1e aanleg. Het Hof heeft het verweer strekkende tot nietigverklaring van de oproeping terecht verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl