HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7667

Art. 25 Gemeentewet. Blijkens de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van art. 25 Gemeentewet is de strekking van het voorschrift dat op de stukken melding wordt gemaakt van de opgelegde verplichting tot geheimhouding, dat van meet af aan duidelijk is dat het om stukken gaat waarvan de inhoud geheim moet blijven. Uit de tekst van art. 25.2 Gemeentewet noch de wetsgeschiedenis valt op te maken dat die vermelding een voorwaarde is voor het ontstaan van de geheimhoudingsverplichting. Ook art. 25.1 Gemeentewet bevat niet een zodanig vereiste voor het opleggen van geheimhouding door de raad omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden voorgelegd. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat aan het voorschrift van art. 25.2 Gemeentewet, gelet op de strekking ervan, ook is voldaan in een geval als i.c., waarin weliswaar op de desbetreffende stukken zelf geen melding van de opgelegde geheimhouding is gemaakt, maar die stukken vergezeld gingen van een brief met in de aanhef “persoonlijk en geheim”, terwijl in die brief stond vermeld dat was besloten aan de ontvanger ervan geheimhouding op te leggen t.a.v. het bijgesloten rapport. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen