HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB2875

Beslag. Verschoningsrecht journalist. Art. 98 Sr en 96a Sv en art. 10 EVRM. Twee bij de klaagster werkzame journalisten hebben documenten onder zich gekregen t.a. waarvan het vermoeden bestaat dat zij van de AIVD afkomstige inlichtingen bevatten waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden a.b.i. art. 98 Sr. O.b.v. deze informatie zijn in De Telegraaf enkele artikelen verschenen waarin aan deze informatie en het beweerdelijk rondslingeren daarvan in het criminele circuit aandacht is besteed. Aan de AIVD is desverzocht door klaagster een afschrift van de documenten verschaft. I.h.k.v. het opsporingsonderzoek, gericht op overtreding van art. 98 e.v. Sr (het achterhalen van het lek binnen de AIVD) zijn de documenten na een bevel tot uitlevering van de OvJ, o.g.v. art. 96a Sv onder klaagster in beslag genomen. Het beklag van klaagster strekt tot teruggave van de (‘originele’) documenten. - Vooropgesteld wordt het volgende. Bescherming van (journalistieke) bronnen is een essentieel element van het recht op vrije nieuwsgaring door de pers en 1 van de hoekstenen van een vrije pers. Het ontbreken van die bescherming zou informanten kunnen ontmoedigen om de pers bij te staan in het informeren van het publiek over vraagstukken van alg. belang. HR herhaalt onder welke 3 voorwaarden een inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring - waaronder het belang van de bescherming van de bron van de journalist - ex art. 10.2 EVRM gerechtvaardigd kan zijn (HR LJN AE8771). Die bescherming vindt zijn begrenzing in o.m. de bescherming van de nationale veiligheid en de noodzaak om de verspreiding van vertrouwelijke informatie te verhinderen, zoals weergegeven in art. 10.2 EVRM. Daarbij geldt dat iedere inbreuk op het in art. 10 EVRM beschermde recht noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving, hetgeen meebrengt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voorts moet de inbreuk proportioneel zijn en moeten door de overheid relevante en voldoende gronden worden aangevoerd om de inbreuk te rechtvaardigen. De HR tekent daarbij aan dat het de voorkeur verdient dat zowel het bevel tot uitlevering als de beslissing tot inbeslagneming van voorwerpen waarbij bronbescherming in het geding kan zijn, uitgaat van de RC. - de Rb heeft tot uitdrukking gebracht dat het bevel tot uitlevering het belang dient ter bescherming waarvan die bepaling in het leven is geroepen, t.w. de bescherming van staatsgeheimen. In haar oordeel dat i.c. het in art. 10 EVRM vervatte recht van bronbescherming niet is geschonden ligt besloten dat aldus sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat staatsgeheime gegevens niet in het openbaar circuleren en voorts dat de (door de Rb aangenomen en niet bestreden) inbreuk op het recht op bronbescherming in het licht van de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is te achten. Die oordelen zijn tegen de achtergrond van hetgeen is vooropgesteld, niet onjuist, terwijl zij in het licht van het verhandelde in raadkamer ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk zijn. Daarbij neemt de HR in aanmerking a) dat uit de stukken bezwaarlijk anders kan volgen dan dat de inbeslaggenomen documenten staatsgeheime gegevens bevatten over operationeel onderzoek door de AIVD naar de mogelijke verwevenheid van onderwereld en bovenwereld ter voorkoming van ernstige strafbare feiten, welke gegevens van belang zijn i.v.m. de bescherming van de democratische rechtsorde en die voorts bij openbaarmaking de nationale veiligheid en de veiligheid van derden op het spel kunnen zetten en b) dat het door de klaagster aangevoerde bezwaar tegen uitlevering van de documenten zich wat de mate van waarschijnlijkheid van onthulling van de bron betreft heeft beperkt tot haar vrees dat onderzoek aan de documenten tot identificatie van de bron zou kunnen leiden omdat op deze stukken vingerafdrukken zouden kunnen worden aangetroffen, in welk verband de OvJ heeft verklaard dat een onderzoek aan de documenten weliswaar mogelijk, maar niet noodzakelijk is om de identiteit van het lek bij de AIVD te achterhalen, aangezien dit a.d.h.v. de aan de AIVD inmiddels bekende inhoud van deze documenten reeds mogelijk is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen