HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7675

Beklag. Conservatoir beslag op onroerende zaken ex art. 94a Sv. Het Hof heeft het beklag ongegrond verklaard omdat de onroerende zaken “in feite middellijk” toebehoren aan iemand tegen wie nog een ontneming van w.v.v. loopt. HR herhaalt HR NJ 1998, 575 en HR LJN AT2970 m.b.t. beklag door een derde, niet beslagene. Voorts herhaalt de HR zijn zgn. BUCRO beschikking, HR NJ 1998, 591 m.b.t. inbeslagname van vermogensbestanddelen van een rechtspersoon enkel op de grond dat verdachte of veroordeelde aandeelhouder of bestuurder is van deze rechtspersoon. Het Hof heeft kennelijk voor ogen dat de onroerende zaken aan klaagster in eigendom toebehoren en dat deze zaken niet in verband staan met de strafbare feiten waarvoor die persoon is veroordeeld, op de voet van art. 94a.2 Sr kunnen dienen tot verhaal van een aan die persoon opgelegde betalingsverplichting op de enkele grond dat die persoon t.a.v. deze onroerende zaken feitelijk kan handelen als behoorden deze zaken hem toe. In zodanig geval heeft de wetgever evenwel, zoals uit de wetsgeschiedenis volgt, strafvorderlijk conservatoir beslag op de onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan aan wie het w.v.v. kan worden ontnomen a.b.i. art. 94a.3 Sv eerst toegelaten indien is voldaan aan de in die bepaling vermelde voorwaarden waaronder de voorwaarde dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van het desbetreffende misdrijf. Het Hof heeft art. 94a.3 Sv miskend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen