HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9837

1. ISD-maatregel. 2. Redelijke termijn. Ad 1. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AZ4109. Uit ’s Hofs overweging blijkt dat het o.g.v. het uittreksel uit de justitiële documentatie heeft vastgesteld dat verdachte in de 5 jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal wegens een misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De overweging van het Hof houdt echter niet in dat t.t.v. het bewezenverklaarde feit i.i.g. 3 van die veroordelingen geheel ten uitvoer waren gelegd. De oplegging van de maatregel is dan ook ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat een tijdsverloop van 7 maanden en 25 dagen tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter griffie van de HR "gelet op de wetsgeschiedenis van de ISD-maatregel" een overschrijding van de redelijke termijn i.d.z.v. art. 6.1 EVRM oplevert. Deze opvatting is onjuist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen