HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8765
Herziening. 1. In de aanvrage wordt onder meer aangevoerd dat A een zwendelaar/oplichter is, waarbij wordt verwezen naar een overgelegd psychiatrisch rapport dat over A als verdachte in diens strafzaak is uitgebracht. Vooropgesteld moet worden dat het Hof terecht het verzoek van de verdediging om het over de getuige A als verdachte opgemaakte psychiatrisch rapport aan het dossier toe te voegen heeft afgewezen. De rechter of het OM zal een psychologisch/psychiatrisch rapport – opgemaakt met medewerking van de betrokkene in een tegen hem lopende strafzaak – dat gegevens bevat van zeer persoonlijke en vertrouwelijke aard, immers niet, althans niet zonder toestemming van die betrokkene, aan een dossier in een tegen een ander lopende strafzaak kunnen toevoegen, aangezien het in art. 8.1 EVRM gewaarborgde recht van die betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer zich ertegen verzet dat de inhoud van een dergelijk rapport zonder meer t.b.v. een ander doel dan waarvoor het is opgemaakt, wordt gebruikt en in een wijdere kring bekend wordt (vgl. HR DD 96.159). Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat A toestemming heeft gegeven tot overlegging van het over hem opgemaakte psychiatrisch rapport, kan ook in herziening geen kennis worden genomen van bedoeld rapport en moet derhalve aan de op dat rapport gebaseerde stellingen worden voorbijgegaan. 2. In de aanvrage wordt tot slot een beroep gedaan op een verklaring van de jongste raadsheer van het Hof. Een dergelijke verklaring levert niet op een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2° Sv.
De uitspraak op rechtspraak.nl