HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8745

Herziening. In de aanvrage wordt aangevoerd dat uit een arrest van de HR (HR LJN AS5556) volgt dat de Rb gelet op een eerdere veroordeling van de aanvrager door het Hof na toepassing van art. 63 Sr – in het licht van de keuze van de Rb voor een tijdelijke gevangenisstraf – slechts een gevangenisstraf van maximaal 14 jaren had kunnen opleggen i.p.v. de door haar opgelegde gevangenisstraf van 20 jaren. HR: Als “eenige omstandigheid” a.b.i. art. 457.1 aanhef en onder 2° Sv kan niet dienen een beslissing van een Nederlandse rechter doch slechts een omstandigheid van feitelijke aard, die “met de bestreden uitspraak niet bestaanbaar schijnt”, zoals in art. 457.1 aanhef en onder 2° Sv nader omschreven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen