HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701

1. Term ‘bedreiging met zware mishandeling’ ex art. 285 Sr. 2. Bewezenverklaring schuldheling Ad 1. ’s Hofs oordeel dat de bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de in art. 285 Sr voorkomende term “bedreiging met zware mishandeling”. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer ervan op de hoogte was dat verdachte eveneens verdacht werd van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III. Ad 2. Het Hof heeft geoordeeld dat, niettegenstaande het door verdachte uitgevoerde onderzoek naar de herkomst van de graafmachine, het door verdachte betaalde bedrag van € 70.000,- dusdanig lager lag dan de dagwaarde van € 110,000,-, dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de graafmachine een door misdrijf verkregen goed betrof. Mede in aanmerking genomen dat het Hof de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte “dat de gemiddelde waarde van dit soort machines rond de € 85.000,- lag” kennelijk redengevend heeft geacht, is ’s Hofs oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen