HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7699

Uitlevering. Verzekering van verzoekende staat. Het volgende wordt vooropgesteld. O.g.v. van art. 3.1, 2e Aanvullend Protocol EUV kan uitlevering t.b.v. de tul van een verstekvonnis weliswaar worden geweigerd, doch niet indien de verzoekende staat "een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd". Het gaat hier om een door de uitleveringsrechter te hanteren weigeringsgrond. Indien naar het oordeel van de uitleveringsrechter de door de verzoekende staat in dit verband gegeven verzekering onvoldoende is, dient hij de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de uitleveringsrechter i.b. ervan dient uit te gaan dat de verzoekende staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven. Dat lijdt slechts uitzondering indien – vzv. hier van belang – (a) uit f&o blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6.1 EVRM toekomend recht, en (b) voorts n.a.v. een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel a.b.i. in art. 13 EVRM ten dienste staat t.z.v. die inbreuk. De Rb heeft het verzoek tot het horen van de getuige afgewezen op de grond dat de noodzaak daartoe ontbreekt, nu het verzoek is gedaan met het oog op het aannemelijk maken van een dreigende schending van het EVRM, doch zulks niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter, maar van de MvJ. Deze motivering kan de afwijzing van het verzoek niet dragen. Dit leidt echter niet tot cassatie: de Rb heeft de toezegging van de Roemeense autoriteiten aangemerkt als een verzekering a.b.i. art. 3.1, 2e Aanvullend Protocol. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van genoemde verdragsbepaling en is niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat voor de beantwoording van de vraag of die verzekering voldoende is, niet zonder meer doorslaggevend is of zij strookt met de wetsbepalingen van de verzoekende staat. Nu de stukken van het geding niet inhouden dat gemotiveerd is aangevoerd dat in deze zaak het risico bestaat dat de Roemeense autoriteiten hun toezegging niet zullen nakomen en evenmin dat het de opgeëiste persoon in het geval van niet-nakoming van die toezegging aan een adequaat rechtsmiddel zal ontbreken, noch dat de getuige daarover informatie zou kunnen verschaffen, had het verzoek tot het horen van die getuige wegens het ontbreken van noodzaak daartoe slechts kunnen worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen