HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7658

‘Bestuurder’ ex art. 179 WVW 1994. Onder ‘bestuurder’ in art. 163.1 en 2 WVW 1994 moet worden verstaan: degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met art. 8 WVW 1994, onder wie is begrepen degene t.a.v. wie de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot handelen in strijd met genoemd art. 8 WVW. Deze uitleg strookt met de strekking van de wet, zoals deze blijkt uit de wetsgeschiedenis, waarmee de wetgever een zo effectief mogelijke controle op en bestrijding van overmatig drankgebruik in het verkeer heeft beoogd (o.m. HR LJN AE3382). Daarom moet in art. 179.1 WVW 1994, waar sprake is van veroordeling van “de bestuurder” wegens overtreding van art. 163.2 WVW 1994, die term in gelijke zin worden uitgelegd als in laatstgenoemde bepaling. Anders zou immers de mogelijkheid om bij een dergelijke veroordeling de bijkomende straf van OBM afhankelijk worden van de vraag of al dan niet is kunnen worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk als bestuurder is opgetreden dan wel daartoe een poging heeft gedaan. Niet blijkt dat de wetgever een dergelijk onderscheid voor ogen heeft gestaan. Het zou ook niet stroken met de strekking van de wet. Het stond het Hof derhalve vrij de bijkomende straf OBM op te leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen