HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7075
1. Voorwaardelijk opzet. 2. Toewijzen vordering benadeelde partij. Ad 1. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, omdat het niet anders kan zijn dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het Hof heeft het opzet uit de bewijsmiddelen af kunnen leiden. Ad 2. Het oordeel van het Hof dat de vordering van de benadeelde partij v.w.b. geleden immateriële schade zich leent voor toewijzing, is onvoldoende gemotiveerd, nu volgens het voegingsformulier deze schade verband houdt met een breuk in de hand, terwijl het Hof verdachte heeft vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (een gebroken hand). Het Hof heeft ook anderszins niets vastgesteld omtrent het verband tussen het bewezenverklaarde feit en bedoeld letsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl