HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6375
Gebruik als bewijs van ttz. in 1e aanleg afgelegde verklaring. Het middel berust op de stelling dat de omstandigheid dat in het p-v van de terechtzitting in eerste aanleg van 7-10-2005 niet de verklaring van verdachte is opgenomen, meebrengt dat het Hof de inhoud van deze door de Rb als bewijsmiddel gebruikte verklaring niet voor het bewijs mag bezigen. Daartoe wordt aangevoerd dat deze verklaring is gedenatureerd omdat uit het p-v van de desbetreffende terechtzitting, welk p-v de enige kenbron is t.a.v. de inhoud van ttz. afgelegde verklaringen, niet blijkt dat verdachte de bedoelde verklaring heeft afgelegd. Daarbij wordt een beroep gedaan op het arrest HR LJN AU1993. Die stelling gaat niet op. Door de onderhavige ver-wijzing in het p-v naar hetgeen in de aanvulling op het verkorte vonnis is vermeld, is van een ver-schil tussen de weergave van de verklaring van verdachte in het p-v en die in de aanvulling geen sprake. Anders dan waarvan het middel uitgaat, kan aan voormeld arrest van de HR niet worden ontleend dat in zo’n geval het ontbreken van een weergave in het p-v tot gevolg heeft dat de als bewijsmiddel gebezigde inhoud van die verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
De uitspraak op rechtspraak.nl