HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6351
1. Levenslange gevangenisstraf voor moord, van drie pogingen tot moord en van grof geweld tegen dieren in Twente. 2. Overschrijding redelijke termijn. Ad 1. Het Hof, dat zijn beslissing niet louter heeft gegrond op de omstandigheid dat verdachte thans niet behandelbaar is, heeft overwogen dat de mogelijkheid dat hij later misschien wel behandelbaar zou zijn niet in de weg staat aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat verdachte “een levensgroot gevaar” voor de samenleving vormt indien hij op vrije voeten komt zonder effectief te zijn behandeld. Een zodanige behandeling heeft het Hof niet meer opportuun geacht nu een eerdere behandeling van verdachte i.h.k.v. een TBS gedurende 16,5 jaar geen enkel resultaat bleek te hebben gehad en de bewezenverklaarde delicten merendeels tijdens die behandeling zijn begaan en in ernst en frequentie zelfs zijn toegenomen, terwijl verdachte ook zelf heeft aangegeven van een dergelijke behandeling alleen maar slechter te zijn geworden. Daarnaast heeft het Hof meegewogen dat verdachte niet bereid was mee te werken aan symptoombestrijding met libidoremmende middelen. Gelet op e.e.a. is ’s Hofs oordeel dat een levenslange gevangenisstraf uit het oogpunt van maatschappijbeveiliging en vergelding onvermijdelijk is, niet onbegrijpelijk. Mede in het licht van hetgeen het Hof nog heeft overwogen omtrent de persoonlijkheid van verdachte, de aard en uitzonderlijke ernst van de delicten en de daardoor geschokte rechtsorde, is de strafoplegging toereikend gemotiveerd. Ad 2. Aangezien de aan verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor vermindering leent, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de HR met dat oordeel volstaan.