HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6220

1. Voorbereiding ex art. 46 Sr. 2. Verbeterde lezing. 3. Art. 56 Sr en belang . Ad 1. Het Hof heeft vastgesteld dat de mededader een mes heeft “geregeld” met het oog op het vermoorden van het slachtoffer op het fabrieksterrein aan de Zaalbergweg te Leiden, en dat dat mes daartoe in een caravan op dat fabrieksterrein is gelegd. Kennelijk heeft het Hof het leggen van dat mes in die caravan mede begrepen geacht onder het tezamen en in vereniging verwerven van dat mes, zoals is bewezenverklaard. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Ad 2. HR verbetert de kwalificatie van het Hof (“medeplegen van voorbereiding van moord”) in “medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord”. Ad 3. De klacht dat het Hof t.a.v. de 3 bewezenverklaarde feiten ten onrechte, althans ongenoegzaam gemotiveerd heeft geoordeeld dat geen sprake was van een voortgezette handeling i.d.z.v. art. 56 Sr, zodat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, mist belang aangezien toepassing van art. 56 Sr i.c. niet tot een ander strafmaximum zou leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen