HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9177
Voorop wordt gesteld dat van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer a.b.i. art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan (vgl. HR LJN ZD1653). De bewezenverklaring ter zake van het medeplegen van verkrachting meermalen gepleegd, vzv. behelzende dat verdachte “(…) door feitelijkheden X (…) heeft gedwongen (…)”, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Mede in het licht van het gevoerde verweer, inhoudend dat van dwang geen sprake is geweest, had het Hof de bestreden uitspraak in dit opzicht nader moeten motiveren.
De uitspraak op rechtspraak.nl