HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6580

Uitlevering. Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië van 11 maart 1896 tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers (hierna: Ovk.). 1. Uitlevering deels ontoelaatbaar. 2. Ontkennen van schuld. 3. Nog te ondergane straf en al ondergane detentie. 4. Gezondheidstoestand en te vrezen martelingen. 5. “Onderdaan”. Ad 1. In aanmerking genomen dat art. 1 Ovk. niets inhoudt omtrent de uitlevering ter zake “dood door schuld” of een daarmee op één lijn te stellen delict, moet worden geoordeeld dat het verzoek tot uitlevering wat betreft het delict dat de opgeëiste persoon “een ander mens door schuld van het leven heeft beroofd” niet voldoet aan de vereisten van art. 1 Ovk. De uitlevering zal dus in zoverre ontoelaatbaar moeten worden verklaard. Ad 2. De bewering van de o.p. dat hij “niet schuldig is” aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, kan niet leiden tot de ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering nu (a) het hier gaat om een verzoek ter tul van een straf t.z.v. feiten waaraan de o.p. bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is schuldig verklaard, en (b) door of namens de o.p. niet is aangevoerd dat het verzoek tot uitlevering op een kennelijke misslag berust (vgl. HR LJN AC0605; HR LJN ZC8849; HR DD 92.324). Ad 3. De rechter die moet beslissen omtrent de toelaatbaarheid van een uitlevering ter tul van een straf die is opgelegd t.z.v. feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag de uitlevering deels wel, deels niet toelaatbaar is, is buiten staat te beoordelen welk gedeelte van de straf geacht moet worden te zijn opgelegd t.z.v. het feit of de feiten waarvoor de uitlevering volgens dat verdrag toelaatbaar is. Dit oordeel komt uitsluitend de autoriteiten van de verzoekende Staat toe (vgl. HR LJN AC9243). Ook het oordeel omtrent de vraag of – en zo ja in hoeverre – de in de verzoekende Staat reeds ondergane detentie in mindering behoort te worden gebracht op de ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf, komt toe aan de verzoekende Staat, zodat de omstandigheid dat de – veronderstellenderwijs aangenomen – duur van de op de door een verzoekende Staat ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf in mindering te brengen detentie gelijk is aan die van die vrijheidsstraf niet kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering door de rechter (vgl. HR LJN AC9080). Ad 4. Blijkens de tekst en geschiedenis van art. 10.2 UW is het de MvJ die – in de gevallen waarin het toepasselijk verdrag of een door NL bij toetreding gemaakt voorbehoud daartoe ruimte bieden – heeft te beslissen of zich het geval voordoet dat de gevolgen van de uitlevering voor de o.p. van bijzondere hardheid zouden zijn i.v.m. diens slechte gezondheidstoestand (vgl. HR LJN AC9078). Wat betreft het beroep op martelingen die de o.p. na zijn uitlevering aan de verzoekende Staat aldaar zou hebben te vrezen, is het aangevoerde op generlei wijze onderbouwd, zodat daaraan reeds om die reden moet worden voorbijgegaan. Opmerking verdient overigens dat de beantwoording van de vraag of er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat de o.p., zou hij worden uitgeleverd, gevaar zou lopen te worden gefolterd of heeft te vrezen voor zijn leven niet toekomt aan de rechter die heeft te oordelen omtrent de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering doch aan de MvJ (vgl. HR LJN ZD0602). 5. Vooropgesteld moet worden dat art. 1 Ovk. inhoudt dat de verdragsluitende partijen hun onderdanen niet uitleveren, maar dat in de Ovk. generlei bepaling voorkomt waaraan de verdragsluitende partijen de bevoegdheid zouden kunnen ontlenen om in gevallen waarin de gevraagde uitlevering voor het overige toelaatbaar zou moeten worden geacht, ook anderen dan hun onderdanen niet uit te leveren dan wel het begrip “onderdanen” ruimer op te vatten dan geacht kan worden te stroken met de bedoeling van de verdragsluitende partijen (vgl. HR LJN AC1492). Aangezien niet is gesteld dat de o.p. Nederlands “onderdaan” is i.d.z.v. genoemde verdragsbepaling en zulks ook niet volgt uit de door of namens hem aangevoerde omstandigheden, kan het beroep op de omstandigheid dat de o.p. reeds 8 jaar in NL verblijft en dat diens verblijfsvergunning onlangs voor onbepaalde tijd is verlengd, de o.p. niet baten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen