HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5833

OM-cassatie. Aan de op art. 163.9 WVW 1994 toegesneden tll. wilde de AG bij het Hof subsidiair art. 8.1 WVW 1994 toevoegen. Het Hof weigerde dit omdat de wijziging zou meebrengen dat niet langer hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr ten laste zou zijn gelegd. HR: Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijz. tll is de aan te leggen maatstaf of de in de aanvankelijke tll. opgenomen gedragingen hetzelfde feit i.d.z.v. art. 313.2 Sv jo. art. 68 Sr opleveren als de in de vordering tot wijziging van de tll. opgenomen gedragingen. Bij toepassing van die maatstaf dient - overeenkomstig HR LJN AA3838 - te worden onderzocht: (i) of de verwantschap tussen de verschillende delictsomschrijvingen waarop de oorspronkelijke tll. en de wijziging daarvan zijn toegesneden, mede in aanmerking genomen of de strekking van de verschillende delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteenloopt, van zodanige aard is, en tevens (ii) of de in die oorspronkelijke tll. en de wijziging daarvan verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband m.b.t. de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van verdachte, dat de gedachte achter de in art. 313.2 Sv opgenomen beperking, die naar art. 68 Sr verwijst, meebrengt dat de gevorderde wijziging toelaatbaar is (HR LJN AE9043). Het oordeel van het Hof dat door de desbetreffende wijziging niet langer sprake zou zijn van hetzelfde feit i.d.z.v. art. 68 Sr is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen de verwantschap tussen de beide betrokken delictsomschrijvingen en het kennelijke verband tussen de beide tenlastegelegde gedragingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen