HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629

Ontneming. Ingevolge art. 511g.2 Sv jo. art. 415 Sv en art. 359.3 Sv dient de uitspraak van de rechter op een vordering a.b.i. art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. De bestreden uitspraak voldoet niet aan dit vereiste. Het Hof heeft weliswaar verwezen naar het arrest in de hoofdzaak, maar dit arrest bevat geen bewijsmiddel waaruit de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan volgen. In aanmerking genomen evenwel dat het bestreden arrest mede is gewezen n.a.v. het onderzoek in eerste aanleg, en het p-v van de terechtzitting van de Rb inhoudt (a) als – door de Rb tot bewijs gebezigde – verklaring van betrokkene dat er ongeveer 10 reizen zijn geweest waarbij ongeveer 30 kg cocaïne naar NL is gebracht, en (b) als mededeling van de raadsman dat het Hof in de hoofdzaak 30 kg cocaïne als uitgangspunt heeft genomen, behoeft ’s Hofs verzuim niet tot cassatie te leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen