HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3593

Ontnemingsprocedure en 359.2 Sv. Geen wetsbepaling schrijft met zoveel woorden voor dat de rechter op een verweer omtrent de toerekening van het voordeel een uitdrukkelijke beslissing dient te geven. De vraag dient zich daarom aan of art. 359.2 Sv het Hof noopte zijn oordeel omtrent die toerekening, dat afwijkt van het standpunt van betrokkene, van een motivering te voorzien. Daartoe moet eerst onder ogen worden gezien of die bepaling in ontnemingsprocedures van toepassing is. Dat is het geval. Ingevolge art. 511e Sv zijn op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bepalingen van Titel IV van het Tweede Boek van het WvSv – en daarmee art. 359.2 Sv – van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – vzv hier van belang – de Rb n.a.v. de vordering en van het onderzoek ttz. beraadslaagt over de vraag of de in art. 36e Sr bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten. In art. 511g Sv jo. art. 415 Sv is art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure in hoger beroep. De geschiedenis van de totstandkoming van het voorschrift van art. 359.2 Sv wijst er niet op dat de wetgever, niettegenstaande art. 511e Sv, dat voorschrift in ontnemingsprocedures niet van toepassing heeft willen achten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen