HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2160
Art. 359.2 Sv en het op de Nederlandse Antillen en Aruba geldende recht; concordantiebeginsel. Het middel berust o.m. op de opvatting dat het betoog van de raadsman moet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv. Die bepaling is 1-1-05 in werking getreden en heeft een ruimere reikwijdte dan de tot dan toe in de jurisprudentie ontwikkelde motiveringsvoorschriften (HR LJN AU9130). Een dergelijke bepaling ontbreekt evenwel in de Wetboeken van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba, terwijl de totstandkoming in NL van een naar de inhoud nieuwe wettelijke regel niet reeds uit kracht van het in art. 39.1 van het statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel tot gevolg heeft dat de inhoud van die regel van rechtswege deel gaat uitmaken van het op de Nederlandse Antillen en Aruba geldende recht (HR LJN AA1488). Het betoog in het middel dat “het streven naar rechtseenheid tusssen enerzijds de Nederlandse Antillen en Aruba en anderzijds NL” meebrengt dat art. 359.2 Sv “jurisprudentieel” dient te worden ingevoerd in het Antilliaanse procesrecht faalt, omdat voor die stelling in genoemd statuut geen grondslag kan worden gevonden en geen andere rechtsregel noopt tot een zodanige uitleg. Ook overigens bestaat daarvoor geen grond. Als zodanig kan niet gelden de enkel in het middel benadrukte omstandigheid dat de rijkswetgever wat betreft de cassatieprocedure ten aanzien van uitleveringszaken in het Koninkrijk rechtseenheid heeft nagestreefd en bewerkstelligd.
De uitspraak op rechtspraak.nl