HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1639

1. Geldigheid betekening appeldagvaarding. 2. Dagvaardingstermijn ex art. 413.1 Sv. Ad 1. Gelet op het, aan de appeldagvaarding voor de ttz van 14-10-05 gehechte, GBA-overzicht van 10-10-05 inhoudende dat verdachte sedert 23-6-97 zonder vaste woon- of verblijfplaats is en in aanmerking genomen dat in de appelakte van 17-1-05 als adres van verdachte is vermeld: “z.v.w.o.v.h.t.l.”, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat het door verdachte bij de betekening van het pr-vonnis op 5-1-05 opgegeven adres A had te gelden als haar feitelijke woon- of verblijfplaats i.d.z.v. art. 588.1.b.2° Sv (HR NJ 2002, 317). ’s Hofs oordeel de appeldagvaarding geldig is betekend, is juist. Ad 2. Daar volgens de akte van uitreiking de dagvaarding van verdachte voor de ttz van het hof op 14-10-05, op 10-10-05 is uitgereikt aan de (wnd.) griffier van de Rb ’s-Gravenhage, is de in art. 413.1 Sv voorgeschreven termijn van 10 dgn niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte en verdachte niet is verschenen ter ttz in appel, had het hof het onderzoek ter ttz o.g.v. art. 413.1 Sv i.v.m. art. 265.3 Sv dienen te schorsen. Het hof heeft het onderzoek ter ttz echter voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert (HR NJ 2002, 286).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen