HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0498

Gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De klacht over 's hofs overweging dat een oordeel over de rechtmatigheid van het openen van een gvo niet aan het hof is gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, is gegrond (de stelling van de verdediging was dat het gvo niet was geopend n.a.v. een concrete verdenking maar om verdachtes veronderstelde rol in de IRT-affaire). Het gaat hier immers niet om bevelen inzake de toepassing van bepaalde vrijheidsbenemende dwangmiddelen, waarbij vormverzuimen die betrekking hebben op zodanige bevelen kunnen worden voorgelegd aan de R-C die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen ( HR NJ 2004, 376). Dat leidt echter niet tot cassatie. Het hof heeft, met overneming van de beslissing van de rb, het verweer dat geen sprake was een concrete verdenking van een strafbaar feit jegens verdachte t.t.v. het openen van het gvo, verworpen omdat de op dat moment beschikbare informatie voldoende basis vormde voor de vordering opening gvo. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen de rb heeft vastgesteld omtrent de informatie die de grondslag vormde voor de opening van het gvo. Het hof heeft derhalve geoordeeld dat de stelling waarop het verweer steunt feitelijke grondslag mist. Die overweging draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen