HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9338

Profijtontneming. 1. Ontoelaatbare uitbreiding basis vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel in aanvulling arrest. 2. Redelijke termijn. Ad 1. Ingevolge art. 511g.2 Sv jo. art. 415 Sv is art. 365a Sv ook in procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van toepassing. Dit betekent dat in een dergelijke procedure alle beslissingen omtrent de opgelegde maatregel dienen te worden opgenomen in het verkorte arrest en dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van eventuele nadere overwegingen omtrent het bewijs, mogen worden opgenomen in de aanvulling zoals bedoeld in art. 365a.2 Sv (HR NJ 2000, 475). Het hof heeft in de aanvulling op het verkorte arrest alsnog een andere grond aangewezen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten het voordeel verkregen d.m.v. of uit baten van soortgelijke feiten. Gelet op het hier van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 365a jo. art. 138b Sv en het stelsel van de wet zoals daarvan onder meer uit art. 36e Sr blijkt, had deze beslissing, die een tweede grondslag in de zin van art. 36e.2 Sr toevoegt aan de in het verkorte arrest aangeduide grondslag, te weten de in de strafzaak onder 3 primair en 4 bewezenverklaarde feiten, in het verkorte arrest dienen te worden opgenomen. Het betreft hier een zo wezenlijke regel dat veronachtzaming daarvan nietigheid van het bestreden arrest meebrengt (HR LJN AL6471). Ad 2. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de overschrijding van de redelijke termijn daarbij dienen te betrekken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen