HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360
Niet-gemachtigde raadsman, art. 279 Sv. HR herhaalt in voorafgaande beschouwingen relevante overwegingen uit HR LJN AD4727, HR LJN AD8860 en HR LJN AD5163. Mede in het licht daarvan bestaat er onvoldoende grond een cassatieklacht over een betekeningsverzuim van een niet-gemachtigde raadsman die – hoewel in strijd met de wet – in de gelegenheid is geweest die klacht aan de feitenrechter voor te leggen doch die gelegenheid onbenut heeft gelaten, anders te behandelen dan een cassatieklacht over een betekeningsverzuim van een gemachtigde raadsman die heeft verzuimd die klacht aan de feitenrechter voor te leggen. I.c. is het weergegeven deel van het pv ttz in appel onvoldoende om te kunnen aannemen dat de niet-gemachtigde raadsvrouwe de gelegenheid heeft gehad om namens de niet-verschenen verdachte te klagen over de wijze van dagvaarden. Nochtans leidt het middel niet tot cassatie, aangezien ’s hofs oordeel dat “abusievelijk niet door middel van het aankruisen van het desbetreffende hokje is gespecificeerd dat de brief aan het blijkens de GBA-controle nog steeds geldende adres is verzonden” feitelijk en in het licht van de stukken waarvan de HR kennisneemt, niet onbegrijpelijk is.
De uitspraak op rechtspraak.nl