HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6130
Bewijsbestemming ex art. 225 Sr. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte groslijsten waarop in strijd met de waarheid in de computer ter betaling ingevoerde betalingsopdrachten aan X B.V. niet stonden vermeld en waaraan geen corresponderende facturen van X B.V. waren gehecht, voor akkoord heeft voorgelegd aan Y die bevoegd was de betalingsopdrachten te autoriseren, dat Y bij de steeksproefsgewijze controle of de op de groslijst vermelde bedragen zichtbaar waren op het computerscherm niet heeft gezien dat sprake was van betalingen aan X B.V. omdat deze betalingen niet op de groslijst stonden vermeld en daarvan geen facturen waren gehecht aan die groslijst en dat Y ervan uit is gegaan en mocht uitgaan dat alle op de groslijst vermelde betalingen overeenkwamen met de in werkelijkheid in het computersysteem ter uitvoering gereedstaande betalingsopdrachten en op grond daarvan de opdrachten heeft geautoriseerd en verzonden. Tegen de achtergrond van deze vaststellingen is het oordeel dat bedoelde groslijsten jegens Y bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen a.b.i. art. 225 Sr onjuist noch onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat deze groslijst in de interne financieel-administratieve organisatie naar zijn aard voor Y diende als bewijs dat de daarop voor akkoord vermelde betalingsopdrachten overeenkwamen met de daadwerkelijk in het computerprogramma door verdachte klaargezette betalingsopdrachten. Het hof heeft kennelijk geoordeeld - en kunnen oordelen - dat i.c. aan deze bewijsbestemming niet afdoet dat voor anderen binnen de organisatie daaraan die betekenis voor het bewijs niet zou toekomen en evenmin dat Y de mogelijkheid of verplichting had (beter) te controleren of de gegevens op de groslijst overeenkwamen met gegevens die op het computerscherm zichtbaar waren of konden zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl