HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5671
1. Spreekrecht nabestaanden/slachtoffers. 2. Art. 330 Sv. Ad 1. Hoewel het aanbeveling verdient dat de (zakelijke) inhoud van hetgeen het slachtoffer of de nabestaande ttz heeft verklaard, in het p-v van de terechtzitting wordt vermeld, is, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, met de i.c. in het p-v van de terechtzitting opgenomen weergave voldaan aan art. 326 Sv, in het bijzonder het eerste lid. Opmerking verdient dat het 2e lid van dit artikel i.c.– waarin de nabestaande niet als getuige is beëdigd en gehoord – niet van toepassing is. Ad 2. Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt – voor zover het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek – dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling (vgl. HR NJ 2000, 128). Het verzoek van de raadsman tot psychiatrische rapportage voldoet niet aan dat vereiste nu daarin – tegen de achtergrond van de aan het hof omtrent de persoon van verdachte reeds bekende gegevens – niet met de vereiste duidelijkheid is aangegeven waarop het gevraagde nader onderzoek zich zou moeten richten. Het hof was dus niet gehouden dienaangaande een beslissing te geven.
De uitspraak op rechtspraak.nl