HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5670
Vordering als benadeelde partij van immateriële schade door moeder van slachtoffer moord (shockschade). ’s Hofs oordeel dat de vordering van de benadeelde partij vzv. deze ziet op de geleden immateriële schade zich leent voor toewijzing en dat het een bedrag van € 10.000,- zal toewijzen als voorschot op de door de benadeelde partij gevorderde zogeheten shockschade, is onvoldoende gemotiveerd. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd is gelet op HR NJ 2002, 240 vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In zijn overwegingen t.a.v. de schadevergoeding heeft het hof onvoldoende blijk gegeven te hebben onderzocht of in het onderhavige geval aan dat vereiste is voldaan. Omdat reeds thans vaststaat dat de vordering van de benadeelde partij vzv. deze een vergoeding van shockschade betreft niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, neemt de HR om doelmatigheidsredenen die beslissing zelf.
De uitspraak op rechtspraak.nl