HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4757
Gang van zaken: Pr behandelt 2 zaken gevoegd. Op 9-10-03 verklaart het hof de inleidende dagvaarding in zaak A nietig en veroordeelt hij verdachte in zaak B. Verdachte stelt op 6-7-05 cassatie in. Nadat verdachte opnieuw was gedagvaard voor pr in zaak A verklaart pr op 17-5-04 het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van de feiten in zaak A en B. HR: 1. Ontvankelijkheid 1e vervolging zaak B. Na instellen van cassatie tegen de bestreden uitspraak vzv. daarin beslissingen zijn genomen t.a.v. zaak B, is het vs van de pr van 17-4-04 gewezen. Dat in dit vs het OM niet-ontvankelijk is verklaard in zijn 2e vervolging t.z.v. zaak B, staat aan de ontvankelijkheid van het OM in zijn 1e strafvervolging van zaak B niet in de weg. 2. Geldigheid inleidende dagvaarding nu in gevoegde zaak bij politie afwijkend adres is opgegeven. Het hof heeft in de bestreden uitspraak niets vastgesteld omtrent de geldigheid van de inleidende dagvaarding in zaak B. Nu het hof evenwel heeft vastgesteld dat de uitreiking van de dagvaarding in zaak A op 14-8-00 aan de griffier nietig dient te worden verklaard aangezien verdachte bij de politie op 3-8-00 als adres X heeft opgegeven, is ’s hofs kennelijke oordeel dat de uitreiking van de inleidende dagvaarding in zaak B op 8-8-00 (na vruchteloze poging aan adres Y aan griffier uitgereikt en verzonden aan adres Y) op geldige wijze heeft plaatsgevonden zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk nu uit ’s hofs arrest noch uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat i.c. ook is getracht de dagvaarding uit te reiken op het adres X. HR verklaart om doelmatigheidsredenen de inleidende dagvaarding in zaak B nietig.
De uitspraak op rechtspraak.nl