HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668

1. Vatbaarheid voor verbeurdverklaring behoeft niet uit gebezigde bewijsmiddelen te volgen. 2. Toebehoren in de zin van art. 33a.1.c Sr. Ad 1. De opvatting dat een oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen dient te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen, is onjuist. Voldoende - maar noodzakelijk - is dat het desbetreffende oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Ad 2. ‘s Hofs oordeel dat het i.c. verbeurd verklaarde bedrag van € 4000,- aan verdachte toebehoort en een voorwerp betreft met behulp waarvan het bewezenverklaarde - kort gezegd: anderen behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijke toegang tot NL - is begaan of voorbereid, is onjuist noch onbegrijpelijk. Het hof heeft, gelet op de verklaring van verdachte, kunnen oordelen dat het geldbedrag aan verdachte toebehoort ex art. 33a.1.c Sr en dat met behulp daarvan het feit is begaan of voorbereid, nu uit die verklaring kan worden afgeleid dat verdachte over het (volgens hem geleende) geldbedrag kon beschikken en hij dit bedrag als zodanig heeft gebruikt om met de passagiers, onder wie de personen die niet over een geldige titel beschikten om tot NL te worden toegelaten, de grens met Bulgarije te kunnen passeren en zo te bewerkstelligen dat die personen zich uiteindelijk toegang tot NL konden verschaffen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen