HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4109

1. Motivering oplegging ISD-maatregel. 2 Advies ex art. 38m.1 Sr. Ad 1. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AY8975. Het hof heeft o.g.v. het Uittreksel uit de Justitiële documentatie vastgesteld dat verdachte in de 5 jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten ten minste 3 maal wegens een misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende sanctie. Het hof heeft evenwel in de motivering van de maatregel niet tot uitdrukking gebracht dat die 3 veroordelingen t.t.v. de bewezenverklaarde feiten geheel waren tenuitvoergelegd. Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dit niet te leiden. Blijkens het pv van de terechtzitting in appel heeft verdachte aldaar verklaard “ik heb alle straffen die ik heb gekregen uitgezeten”. Daaruit volgt dat het hof zich ervan heeft vergewist dat aan de desbetreffende voorwaarde voor de oplegging van de maatregel was voldaan en dat dus de hier in aanmerking komende veroordelingen waren tenuitvoergelegd. De stukken behelzen niets waaraan een vermoeden van het tegendeel zou kunnen worden ontleend, terwijl voorts uit genoemd pv niet blijkt dat de raadsman van verdachte – nadat door de AG oplegging van de maatregel was gevorderd – heeft aangevoerd dat de desbetreffende voorwaarde niet was vervuld. Ad 2. De opvatting dat van een advies a.b.i. art. 38m.1 Sr slechts sprake kan zijn als daarbij is gevoegd een zogenaamde RISc-rapportage, vindt geen steun in het recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen