HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481
Het hof bezigde voor het bewijs naast niet ambtsedige pv’s niet ondertekende pv’s, terwijl de laatsten slechts een nadere bewerking waren van de eersten. Een door een opsporingsambtenaar opgemaakt pv dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt en kan slechts als geschrift ex art. 344.1.5º Sv tot het bewijs meewerken. Datzelfde geldt voor een door een opsporingsambtenaar opgemaakt pv dat ism art. 153 Sv niet door de opsporingsambtenaar is ondertekend. Vzv. het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat een pv opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, ook als dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, steeds als pv ex art. 344.1.2º Sv heeft te gelden – en dus ogv art. 344.2 Sv als enige bewijsmiddel kan gelden – is dat onjuist. Vzv. het hof heeft geoordeeld dat zowel de ondertekende als de niet-ondertekende pv’s als “andere” geschriften ex art. 344.1.5º Sv tot het bewijs meewerken, geldt dat andere geschriften als in die bepaling bedoeld slechts kunnen gelden ivm de inhoud van andere bewijsmiddelen. Genoemde bepaling noch het bewijsstelsel van het WvSv verzet zich er tegen dat slechts dergelijke andere geschriften tot het bewijs van een strafbaar feit worden gebezigd (HR NJ 2005, 93). In aanmerking genomen evenwel dat het hof heeft geoordeeld dat de niet-ondertekende pv’s slechts een nadere bewerking zijn van de ondertekende pv’s kunnen de eerstgenoemde geschriften niet als een “ander” geschrift in vorenbedoelde zin worden beschouwd. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl