HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0220
1. Dagvaarding rechtspersoon. 2. Herstel kennelijke misslag. 3. Afvalstoffen in de zin van Richtlijn 75/442 EEG. Ad 1. Uit de stukken van het geding volgt, dat Aannemersbedrijf A B.V. niet heeft opgehouden te bestaan, maar dat haar statutaire naam is gewijzigd in C B.V. Uit de stukken blijkt voorts dat aan de handelsnaam van C B.V. de handelsnaam D is toegevoegd. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat de uitreiking van de dagvaarding in appel kan gelden als een rechtsgeldige betekening aan de rechtspersoon op de in art. 529 Sv voorziene wijze, waarbij de tenaamstelling genoegzaam duidelijk maakt dat als verdachte is gedagvaard de rechtspersoon C B.V./D, die voorheen was genaamd A B.V., en dat de t.t.z. verschenen E als vertegenwoordiger van verdachte ex art. 528.1 Sv moet worden aangemerkt. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de feitelijke zeggenschap van E bij C B.V./D en A B.V. In het middel wordt gesteld dat F B.V. had moeten worden gedagvaard, omdat een “activa/passiva transactie” heeft plaatsgevonden waarbij de aannemingsactiviteiten van A B.V., inclusief handelsnaam, zijn verkocht aan F B.V. De opvatting dat in een geval als i.c. uitsluitend als de rechtspersoon die krachtens art. 51 Sr kan worden vervolgd, mag worden gedagvaard de rechtspersoon die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van de rechtspersoon die de tenlastegelegde strafbare feiten zou hebben begaan in de toenmalige uitoefening van dat bedrijf, is niet juist. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in een dergelijk geval de nog bestaande rechtspersoon die de strafbare feiten destijds zou hebben begaan, wordt vervolgd. Ad 2. De HR leest de bewezenverklaring met herstel van een kennelijke misslag. Ad 3. Het hof heeft terecht geoordeeld dat voor de vraag of in dit geval van afvalstoffen sprake is, aansluiting dient te worden gezocht bij de Richtlijn 75/442 EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en bij hetgeen het HvJ EG in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97) t.a.v. die Richtlijn heeft overwogen. In dat arrest heeft het HvJ (voor zover hier van belang) geoordeeld dat de vraag of sprake is van een afvalstof i.d.z.v. de Richtlijn moet worden beoordeeld “met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan”. Voorts heeft het hof bij de beoordeling of van de stoffen een nadelige invloed i.d.z.v. art. 13 Wbb kan worden uitgaan een juiste maatstaf aangelegd. Dit alles brengt mee dat ’s hofs oordeel dat van afvalstoffen sprake is onjuist noch onbegrijpelijk is. De enkele aangevoerde omstandigheid dat niet van zodanige verontreiniging sprake was dat de desbetreffende stoffen niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt, noopte het hof niet zijn oordeel nader te motiveren.
De uitspraak op rechtspraak.nl