HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9659
Onbeschermd seksueel contact HIV-besmette en voorwaardelijk opzet op zware mishandeling ex art. 302 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2005, 154. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte door de bewezenverklaarde gedragingen het gevaar in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer met het HIV-virus besmet zou raken, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt, maar dat sprake was van een zodanig aanmerkelijke kans op een besmetting dat voorwaardelijk opzet in een geval als i.c. kan worden aangenomen, kan uit die bewijsmiddelen noch uit ‘s hofs nadere bewijsoverweging worden afgeleid. Het hof heeft in zijn overwegingen ten onrechte betrokken dat verdachte zijn partner willens en wetens heeft voorgelogen, welk aspect van belang kan zijn voor de vraag of verdachte willens en wetens de kans heeft aanvaard dat hij zijn partner zou besmetten met het HIV-virus, maar niet voor de vaststelling van de grootte van die kans. Het hof heeft voorts gebruik gemaakt van statistische gegevens omtrent de kans op verwezenlijking van bedoeld gevaar die duiden op een in de medische wereld groot geachte kans. Gelet op de terughoudendheid die – ook volgens de opvatting van de betrokken ministers – mede i.v.m. volksgezondheidsbelangen t.a.v. de bijzondere situatie van het gevaar van HIV-besmetting dient te worden betracht bij het aanvaarden van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gevaarzettende gedragingen als i.c., komt aan die gegevens echter onvoldoende gewicht toe om op grond daarvan de aanmerkelijke kans aanwezig te achten die in gevallen als i.c. voor voorwaardelijk opzet is vereist. Dat verdachte en zijn partner veelvuldig seksuele contacten hebben gehad, zoals het hof heeft vastgesteld, kan weliswaar als een zekere verhoging van vorenbedoeld risico worden beschouwd, maar niet worden aangemerkt als een bijzondere, risicoverhogende omstandigheid als hiervoor bedoeld.