HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2176

HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2002, 77. De appeldagvaarding is, bij gebreke van een inschrijving in de GBA, aan de griffier betekend en na vergeefse aanbieding op het door verdachte in de appelakte opgegeven adres, als gewone brief naar dat adres verzonden. ’s Hofs oordeel (afwijzing aanhoudingsverzoek, nu het, naar ’s hofs oordeel, voor risico van verdachte komt indien hij niet tijdig contact opneemt met zijn raadsman en/of deze niet machtigt, respectievelijk indien hij, na het instellen van appel en nadien behoorlijk te zijn gedagvaard, zonder afbericht niet ter terechtzitting verschijnt en/of zich niet bereikbaar houdt voor gerechtelijke mededelingen) is onjuist noch onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat door de raadsman niet duidelijk is aangevoerd dat de aanhouding van de behandeling nodig was met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van verdachte of t.b.v. het alsnog verkrijgen van een machtiging en dat, vzv. zulks in het verzoek geacht zou moeten worden besloten te liggen, de raadsman niet heeft aangevoerd op welke termijn hij hoopte “de verdachte te kunnen vinden”.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen