HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2145

Bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en dat zulks moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a.2 Sv en van de omstandigheden van het geval (HR NJ 2004, 376). In het licht hiervan en gelet op hetgeen door het hof als vaststaand is aangenomen, getuigt zijn oordeel dat het verzuim (betreden erf zonder redelijk vermoeden van schuld door over een hekje van 1 m hoog te stappen, waarna meteen een henneplucht werd geroken) onvoldoende grond vormt voor bewijsuitsluiting niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen