HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0248

Herzieningsaanvrage. Opheffing ongewenstverklaring na veroordelingen t.z.v. het als ongewenst vreemdeling in NL verblijven. Aanvrager is bij beschikking van 28-11-02 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Een beschikking van 13-11-05 houdt in: “O.g.v. de thans bekende feiten en omstandigheden bestaat aanleiding de ongewenstverklaring van betrokkene op te heffen”. De beschikking is op 13-12-05 bekendgemaakt zodat het besluit, ex art. 3:40 AWB, m.i.v. die datum in werking is getreden. De beschikking houdt, anders dan in HR NJ 1987, 848, niet in dat de ongewenstverklaring wordt ingetrokken noch dat zij wordt opgeheven met terugwerkende kracht. Die beschikking kan derhalve niet in die zin worden verstaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 28-11-02 geacht moet worden nimmer te zijn gegeven. Het moet ervoor worden gehouden dat de ongewenstverklaring m.i.v. 13-12-05, derhalve na de bestreden uitspraken, is opgeheven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen