HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9718

Herzieningsaanvrage. Als grondslag voor een herziening kunnen, vzv. hier van belang, ex art. 457.1.2° Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid – vzv. hier van belang – tot vrijspraak van veroordeelde. De hiervoor bedoelde grondslag, hierna als ‘novum’ aan te duiden, kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts als een novum kan gelden vzv. daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen. Voorts moet worden vooropgesteld dat in een herzieningsaanvrage niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op deskundigenoordelen welke naar hun inhoud in wezen reeds bij een eerdere aanvrage tot herziening van dezelfde uitspraak aan de orde zijn geweest. Hieruit volgt dat de HR de thans bij de aanvrage gevoegde bescheiden alleen beoordeelt, vzv. daarin bepaalde aspecten nog niet eerder in beschouwing zijn genomen. Geen van de drie onderdelen van de onderhavige aanvrage bevat een novum. HR wijst aanvrage af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen