HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9243

Het hof heeft vastgesteld dat de inleidende dagvaarding (anders dan is ingevuld op de akte van uitreiking) niet aan verdachte doch aan een ander is uitgereikt. Daaruit vloeit voort dat de uitreiking van die dagvaarding niet is geschied overeenkomstig bij art. 589.1.4° en 589.3 jo. art. 590.1 Sv gegeven voorschriften. ’s Hofs oordeel dat zulks niet behoeft te leiden tot nietigverklaring van die dagvaarding op de grond dat verdachte “op de hoogte was van de datum van de terechtzitting in eerste aanleg”, is onbegrijpelijk, nu noch uit ’s hofs arrest noch uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat verdachte (wiens broer een aanhoudingsverzoek heeft gedaan) ervan op de hoogte was dat hij op genoemde terechtzitting van de Pr terecht diende te staan. Dit leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen