HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7397

1. Ontbreken beslissing op vorderingen benadeelde partijen. 2. Maximum vervangende hechtenis. Ad 1. Hof besliste niet op vorderingen benadeelde partijen maar legde wel maatregelen ex art. 36f op. Vooropgesteld moet worden dat de rechter ex art. 335 en 361 Sv gehouden is gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak een met redenen omklede beslissing te geven over de vordering van de benadeelde partij met een beslissing over de verwijzing in de gemaakte kosten, tenzij hij met toepassing van art. 333 Sv zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken. De bestreden einduitspraak houdt in strijd met de o.g.v. art. 415 Sv ook voor de appelrechter krachtens de hiervoor genoemde artikelen geldende verplichting niet een uitdrukkelijke beslissing in over de vorderingen van de drie genoemde benadeelde partijen. De HR vernietigt wat betreft het ontbreken van deze beslissingen. Ad 2. HR ambtshalve: het hof heeft verdachte bij schadevergoedingsmaatregelen in totaal 658 dagen vervangende hechtenis opgelegd. Het heeft daarmee miskend dat deze vervangende hechtenis i.c., waarin sprake is van samenloop a.b.i. art. 57 Sr, ingevolge art. 60a jo. art. 24c.3 Sr ten hoogste 1 jaar mag bedragen. Dit leidt tot vernietiging van de opgelegde vervangende hechtenis.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen