HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7386

Profijtontneming. 1. Vooropgesteld moet worden dat o.g.v. de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in HR NJ 1998, 242 moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Namens betrokkene is aangevoerd dat de rekening waarnaar het wederrechtelijk verkregen geld was overgemaakt, was geblokkeerd voordat de betrokkene en zijn mededaders het geld van die rekening konden opnemen. Het hof heeft geoordeeld dat die (latere) omstandigheid niet relevant is bij de vaststelling van de omvang van het (eerder), op het moment van bijschrijving verkregen en dus toen daadwerkelijk behaalde voordeel. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. 2. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2006, 63. ’s Hofs oordeel moet aldus worden verstaan dat het het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs heeft toegerekend aan betrokkene en mededaders op de grond dat het door het hof verrichte onderzoek onvoldoende aanknopingspunten bood voor een andere toerekening. Dat oordeel is feitelijk en in het licht van wat het hof heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen