HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7363
Art. 359a Sv en verzuimen bij DNA-onderzoek. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat verdachte weliswaar de ex art. 151a.1 Sv vereiste schriftelijke toestemming heeft gegeven tot de afname van celmateriaal t.b.v. een DNA-onderzoek, maar dat is verzuimd hem daarbij te wijzen op de in art. 2.1 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken voorziene mogelijkheid zich bij het nemen van de beslissing tot het geven van die toestemming te laten bijstaan door een raadsman, alsmede dat is nagelaten hem er ex art. 2.2 van dat Besluit op te wijzen dat zijn DNA-profiel als vergelijkingsmateriaal kan worden opgenomen in de DNA-databank. Het Hof heeft onjuist noch onbegrijpelijk geoordeeld dat de verzuimen i.c. onvoldoende grond vormen voor bewijsuitsluiting. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat, naar het hof heeft vastgesteld, niet is gebleken dat verdachte niet vrijwillig in de afname van celmateriaal zou hebben toegestemd indien art. 2 van het Besluit wel ten volle zou zijn nageleefd.
De uitspraak op rechtspraak.nl