HR 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5766

Art. 200 Sr. Het hof heeft geoordeeld dat onder onbruikbaar maken van zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging en/of bewijs te dienen ex art. 200 Sr, mede is begrepen “het zodanig wijzigen van de aangetroffen situatie op de plaats van een misdrijf dat daardoor sporenonderzoek onmogelijk wordt of bemoeilijkt wordt”. Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet evenwel worden aangenomen dat art. 200 Sr, dat is ontleend aan § 133 van het toenmalige Strafgesetzbuch für den Norddeutschen Bund, betrekking heeft op de bescherming van voorwerpen die aan het openbaar gezag zijn toevertrouwd dan wel – voor zover het gaat om een strafrechtelijk onderzoek – (bijvoorbeeld) voorwerpen die van overheidswege zijn veiliggesteld. Onder zodanige omstandigheden krijgen die voorwerpen de bestemming als bedoeld in art. 200 Sr. Daarbij heeft de HR mede in aanmerking genomen dat gedragingen als door het hof bedoeld o.g.v. art. 189.1.2° Sr strafbaar zijn, doch uitsluitend indien zij zijn begaan met het in die bepaling genoemde oogmerk. I.c. was er t.t.v. de bewezenverklaarde gedragingen nog generlei betrokkenheid van de overheid bij de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen. ’s Hofs oordeel is dus onjuist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen