HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3581
Eigen vervoer ex art. 1.1.g Wet goederenvervoer over de weg. HR verwerpt beroep met verwijzing naar conclusie AG o.m. inhoudend: De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat met de vrachtauto geen vervoerswerkzaamheden voor verdachtes onderneming verricht behoefden te worden, dat de vrachtauto met chauffeur toen is uitgeleend aan een transporteur, dat het onderhavige vervoer geschiedde voor derden en voorts dat dit vervoer wordt afgerekend (waaraan niet afdoet dat de betaling doorgaans geschiedde met gesloten beurzen, omdat verdachte en de transporteur elkaar over en weer diensten verleenden) met de transporteur aan wie de vrachtauto met chauffeur door de verdachte is uitgeleend. In het voorgaande ligt reeds besloten dat ‘s hofs oordeel dat i.c. geen sprake was van eigen vervoer ex art. 1.1.g WGW, te weten vervoer met vrachtauto's van goederen, uitsluitend bestemd voor of afkomstig van eigen onderneming of bedrijf, onjuist noch onbegrijpelijk is: de vrachtauto werd immers uitgeleend omdat er t.b.v. verdachtes onderneming geen vervoer behoefde te worden verricht. Daarom maakt de omstandigheid dat in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een vriendendienst of collegiale inleen dat niet anders. Het blijft immers vervoer voor derden tegen betaling. Daar komt bij dat noch aan de tekst van de wet noch aan de parlementaire stukken enige aanwijzing kan worden ontleend dat incidenteel beroepsvervoer in het kader van collegiale inleen of vriendendienst tot "eigen vervoer" zou moeten worden gerekend. Gelet op het doel van de wet, het voorkomen van oneerlijke concurrentie, ligt dat ook niet voor de hand. Voorts is ’s hofs oordeel dat niet is voldaan aan de criteria van art. 39 Besluit goederenvervoer over de weg omdat het gaat om vervoer verricht voor een derde niet met verdachte verweven onderneming, evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Het vervoer geschiedde niet voor rekening van verdachtes onderneming maar voor rekening van een derde. Anders zou er immers voor verrekening als in de verklaring van X beschreven geen reden zijn. Voorts vormde het vervoer blijkens de gebezigde bewijsmiddelen juist geen onderdeel van het totaal van de bedrijfsactiviteiten van verdachtes onderneming: er was blijkens de gebezigde bewijsmiddelen voor de vrachtwagen geen werk.
De uitspraak op rechtspraak.nl