HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2428
OM-cassatie. Vooropgesteld moet worden dat van gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst – e.e.a. ex art. 230 SrNA – slechts sprake kan zijn indien de gebruiker het geschrift bezigt als middel tot misleiding van hem t.a.v. wie hij daarvan gebruikmaakt en zich dus tegenover deze gedraagt als ware het geschrift echt en onvervalst. Het hof heeft de tenlastelegging aldus opgevat dat aan verdachte wordt verweten dat hij de daarin genoemde geschriften uitsluitend heeft gebezigd tot misleiding van X. Deze uitleg van de tenlastelegging is niet onverenigbaar met haar bewoordingen en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Daarop stuit af de klacht dat de “slachtoffers waar de steller der tenlastelegging (mede) op doelt zijn de personen van wie de naam gebruikt is en van wie de handtekening is nagebootst”. HR casseert – cfm CAG – niet ambtshalve op het in de CAG gesignaleerde motiveringsgebrek.