HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8527

OM-cassatie tegen vrijspraak. Art. 359.2 Sv: nadere motivering van afwijking van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van AG t.a.v. bewijsvoering. Vooropgesteld dient te worden dat art. 359.2 Sv zoals dat luidt sedert 1-1-05 geen wijziging heeft gebracht in die zin dat ook thans de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, ook indien de feitenrechter tot vrijspraak komt. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien het OM t.z.v. de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen. De AG bij het hof heeft t.a.v. de vraag of en op welke gronden het aan verdachte tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. Het hof is met zijn oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, afgeweken van dat standpunt, zodat het ingevolge de 2e volzin van art. 359.2 Sv in zijn arrest in het bijzonder de redenen moest opgeven die daartoe hebben geleid. Opmerking verdient dat die motivering in een geval als dit slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. De nadere motivering van de vrijspraak houdt in de kern in, dat uit de verklaringen van de afnemers van de pillen, inhoudende dat de van verdachte gekochte XTC-pillen ‘goed’ waren, niet zonder meer volgt dat de tabletten een effect hadden dat wijst op de aanwezigheid van een middel vermeld op lijst I Opiumwet. Nu uit het NFI-rapport waarop de AG zich heeft beroepen, kan worden afgeleid dat de werking van XTC-tabletten afhangt van de daarin aanwezige concentratie MDMA, is ’s hofs overweging, dat uit de verklaringen van de afnemers dat de tabletten ‘goed’ waren niets valt af te leiden omtrent de samenstelling van de tabletten, niet zonder meer begrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen